Google+

Pan – Herman Gorter

Oct 23, 2013 by

gort004pan_01_01_tpgThe epic Pan. In it Gorter unfolds a Utopian vision of a post-revolutionary world. If anyone would like to try and translate it contact info@freecommunism.org

In donkerblauwe spanning staat ‘t Heelal,

Het smartenrijke, vreugddoorgoud Heelal,

Het eeuwige oneindige Kristal.

In diepe neevlen van de kleine aarde,

Die uit het donker en den strijd welt tot

Die klare en doorzichtig blauwe gaarde

Van licht en blauwte, staat eenzaam een God.

Diep in den heengezonken stillen avond,

Tusschen de sterrenruimten zonder grens,

Boven de menschgeslachten, die nu slavend

Zijn meer dan ooit, staat hij eenzaam – een Mensch.

Zooals wie van de menschen eenzaam

Is, en slechts met ‘t heelal gemeenzaam.

Hoog rijst hij op voor donkerblauwe rots

Van het heelal, kalm, rustig, eenzaam, trotsch.

‘t Heelal, waarheen zijn koele oogen kijken,

Als naar zijn eindelooze eeuw’ge rijken.
Het was of de atomen van hem weken,

Van zijn lichaam, tot in de verste streken.

En zijne gestalte was even eenzaam

Als het Heelal en slechts daarmee gemeenzaam.

Maar hij was vol van goudene Rhythmiek,

En vol van kleurige Natuurmuziek.

En stil begon hij te zingen:

‘Eenzaam ben ik, als zonder gouden Menschheids Geest,

Eenzaam, zooals het groot Heelal,

Zijn donkre leest.

Maar diep in mij ruischt Muziek

Onsterfelijk, –

En schoon, – als waaraan geen grens leit.

Maar die is ledig, zoolang niet de Schoonheid

Der Menschheid

In het groote Heelal – metterwoon leit.’

Dit lied klonk door den zwaren heldren nacht

Van uit een kloof in ‘t donkre luchtgebergte.

De hemel was een tuin narcissenpracht,

De aarde als een donkere herberg te

Schemeren lag. Zacht klonk het rijke lachen

Omhoog van hem die zong. De blauwe raggen, –

Terwijl hij zweefde in het hoog heelal

Zooals een rook in donkerblauw kristal, –
Van ‘t duister heel en al verborgen hem.

Alleen klonk helder uit de kloof zijn stem. –

Wie was hij, die daar zong in diepen nacht?

Wiens stem was blijde, zooals is de klacht

Der liefde? Wie zong in den nacht zoo zwaar,

Alsof uit ‘t heelal opklonk wat is waar? –

Pan, de oudste God, de God van het Heelal

En van de Muziek, die met zoeten schal

De wereld vervult, muziek onbewust.

Pan, God der onbewuste Liefdelust,

Die muziek en liefde dooreenen mengt,

Zoodat de sterv’líng dien Hij liefde schenkt,

Aldoor muziek hoort, en wien hij muziek

Speelt, altijd is van vreemd verlangen ziek.

Pan zong in ‘t Heelal in dien klaren nacht

En openbaarde dat wat zijn hart dacht. –

Hij was de oudste der Goden geweest,

Maar in zijn eindloos leven had zijn geest

Andere grootre Goden voortgebracht.

Die hadden hem met hunne reuzenkracht

Verdrongen, zoodat hij nu op de velden

Der aarde, zalig, niet meer medetelde,

En heerlijk eenzaam, goddelijk omzwierf,

En wel de allerhoogste offers dierf

Der Goden, maar toch door de blauwe zaal

Der wereld vloog, almachtig muzikaal. –
Maar sinds heel lang had hij zeer klaar gevoeld,

Dat nog een andre macht dan Godenmacht,

Der Menschen kracht, der nieuwe Menschen nieuwe kracht

Diep binnen de valleien der lucht woeld’, –

En hij had zich dieper terug gebracht

In de eenzaamheid, in eenzaamheid gedacht

In het Heelal, wat toch die nieuwe kracht

Zou worde’ en of ze Goden zou verdrijven, –

En of hij nog wel op de aard zou blijven.

Want Pan voelt alles wat op aard geschiedt,

Omdat hij, zijn groot lichaam, één groot lied

Is, één Muziek van Alles, en omdat zijn ziel

Niets is dan liefde, die weerkaatst wat er op viel. –

Zoo zong hij nu, zooals een schoof, een garve

Van vuurklanken, de blauwe maskerlarve

Der nacht, dien donkren ouden wijnlichtslurper,

Werd hoog verlicht door hem en als tot purper.

Niemand hoorde dien gloed, steedling noch dorper. –

Pan steeg op in den avond van den nacht

Hoog naar een bergtop, en hield stil de wacht,

Hoog in het heelal zittend, als kristal

In een donkerder en vager Kristal,

Wat toch dat nieuwe en als sterfgevoel

Was, dat van alle kanten uit ‘t gewoel

Der wereld in hem drong en in hem deed

Ontwaken vreugd van bitterheid en leed.
Hij zat zooals een beeld doodstil en staarde

Naar de onder hem liggende ronde aarde.

Stil schemerden, geel, ver, de klare bosschen

Als barnsteen, en de karmijnroode brosse

Tinten van boschbrokaat, en in den damp

Fonkelde bleekend-rood der aarde oude lamp.

Pan keek aandachtig en met scherp gespie

Naar onder, en de nevelslierten die

Daar rondgolfden, deden hem stille pijn,

Alsof het waren ruime doodsgewaân.

Alsof het waren zijn eigen gedachten

Die hem de diepe melancholie brachten.

Maar toen hief hij langzaam zijn godd’lijk hoofd

Omhoog, daarheen, waar het gloeiende ooft

Des hemels was, en in dien breeden vloed

Van parelen en rozen, zag hij ‘n gloed

Verre, rechtop, en in vorm van een mensch.

Iets van leed werd gebluscht, diep ontbrandd’ wensch,

Toen hij het zag, scherp, als lichtspleet in lens,

En toen het naderde, heeft overstroomd

Zijn hart geluk, zooals iemand die droomt

Een vloed geluk voelt vloeien over ‘t hart,

Dat rood overzond wordt. Weg is het zwart. –

Het was een Vrouw die daar kwam door den Avond

Nader, het Heelal met haar Schoonheid lavend. –

Het is niet waar dat ‘t Verleden is dood.

Het is niet waar dat in der Toekomst schoot

Iets ongeboren is. Alles wat was,
Of is, of zijn zal, Is. – Een kristalglas

Is de wereld, eindeloos en eeuwig, zonder

Tijd of maat, en daarin, o diepst wonder,

Is alles en niets. Elk ding niet en wel.

Zooals in den kristallen zwarten wel,

In ‘t bosch, kristalschaduwen zijn en niet,

Voor wie diep spiedende zijn binnenst ziet.

Alles Is alleen in de eeuwigheid,

Alles is na elkaar in ruimte en tijd.

Want het kristallen blok, de eindlooze wereld,

Waarin alles, hoog en laag-neder, dwarrelt,

En in elkander is, als in een prisma

De zachte kleuren, door geen breuk of schisma

Gescheiden, – dat groot blok draait stilkens om,

Zooals klaar waschwater in kristalkom,

En de kristalkant van twee glasfacetten

Treft even ‘t oog, dat door bewustzijn letten

Kan op kristalbeweging. Oogenblik

Noemt ‘t oog ontmoeting van kristal en blik.

En het bewustzijn denkt: ‘Dit is de tijd’,

Terwijl er toch niets is dan eeuwigheid. –

‘Zij is een wezen uit een andre wereld’,

Zoo had Pan gedacht, toen hij verre zag

Haar vlam. Haar licht weerkaatste in zijn lach. –

En toen zij naderde, als uit ‘t gepareld

Vlak van de parelmoeren ochtendzee

De eerste golf, opgestaan, of een ree

Die eenzaam komt voor de andre gesprongen,

Heeft Pan haar aangestaard en zacht gezongen:

‘Van uit een nieuwe wereld treedt
Een vrouw mij aan met hangend kleed,

Schittrend zooals ik nimmer zag,

Met ‘t oog zoo stralend als de dag.

Zij heeft geen enkel sieraad aan

Van slaafschheid en geen enklen waan,

Maar zij is zuiver als een glas

Alsof ze zóó geboren was.

Haar arm is in een zuivren hoek,

In schoone stralen hangt haar doek,

En om haar schoon gelaat gezond,

Speelt ‘t helderst licht van keel en mond.’

Zij stond daar hoog,

Onder hoogen boog, –

Zooals de dageraad. –

Zij was licht paarsch. –

Uit haar gestalt blonk schaarsch –

Maar vol – het goud.

De Liefde voor ‘t Heelal

Stroomde uit haar Kristal,

En liefde voor de Menschheid,

Waaraan geen grens leit.

Pan zag haar aan, en in zijn ooren duizeld’

Het, zooals plotsling de Liefde duizelt.
Want in het donker van zijn Eenzaamheid

Trad gouden straal der Liefde, der Vrijheid.

En in zijn armen heeft hij als een lelie

Haar meegevoerd. – Het was of ‘t evangelie

Die nacht eener nieuwe wereld had gebracht.

En zoo danste hij met haar vurig zacht.

Pan, de God van het oneindig Heelal,

De God van Alles en waaraan geen grens leit

En de Goudene Geest der groote Menschheid

Dansten te saam door ‘t eindeloos kristal

Der wereld, boven de ronde prachtige aarde.

En het Heelal was om hen eene gaarde

Met heerlijke kleuren en de schoonste bloem’.

Maar zij samen der Wereld hoogste roem.

De God van het Heelal, het stralend Heelal,

En de Geest der Menschheid in ‘t stralend kristal,

Naast elkaar dansten zij door ‘t Heelal henen

In de doorzichtige klaar’ oneindigheden,

Naast elkaar in de bloemen voor zich uit.

Tusschen de sterren pralende hoog wijd.

En wijl ze in ‘t heelal met elkaar sprongen,

Heeft hij in donkren nacht dit lied voor haar gezongen

Zeer zacht:

‘Onzichtbaar zoet klinken van verre de snaren van een veêl,

Uit ver, van licht, droomachtig glanzen,

En wijl wij dansen,

Lijke’ onze leden, wáarop wij neerzien, één geheel.
Uw boezem en dat zachte iets,

Dat over u nederstroomt, –

Is ‘t liefde? – dat zooals haast niets

Van overal van u wederdroomt,

En uwe kleeding, waarin ‘t riet’s

Van uw lichaam,

Golvende dansend, op en neder koomt, –

Zij zijn het éénig iets,

– Dat danst –

– Voor mij die dans –

En Muziek, anders bestaat er niets.

En in den zachten weemoed, één verrukking,

Van ‘t dansend glijden,

Voelen de geesten, aan ‘t geluk en

Samen zich wijden.

Dansen is de voorpoort der liefde. Dansen is heilig.

Dansen is teedere Minne.

Dansen met U, – zoo glijdend en veilig,

Met U zijn bevredigd de zinnen.’

De donkre Pan, de zwarte Pan, klom nu op

Van grond der kloof waar hij gezongen had,

In het Heelal met het goudene Meisje,

De Geest der Menschheid, als een lichte rijze,

Op in het Heelal met een machtig rijzen,

Zooals een donkre rook naar den bergtop,

Zooals een donkre nevel langs bergpad.

En naast hem klom, als een oranje vuur,

Oranje licht in ‘t vroeg koud klaar daguur,
Het gouden Meisje.

Zooals een pijl van goud, een zonnestraal,

Komt om den hoek van een donker Alpdal,

En schiet er door, en verlicht groenen kant

Eens bergs, die schittert met bloemen en diamant, –

Den hemelhoogen berg raakt gouden hand

Van den jongen vroeglente-afgezant, –

Zoo het lichtgouden Meisje ….

Zooals men in den donkerzwarten kachel

Een donkergoude en een roodblauwe vlam

Naast elkander ziet vliegen, met gewaggel,

Bevend en levend, van hun ijle kam,

Fladderend opwaarts streven in het Niet, –

Zij lijken op een vurig minnelied,

Ja liefde zelf, die ook zoo wonder teer

Sterve’ in hun fijnste uitstraling van begeer, –

Zoo stegen Pan en ‘t Wezen, boven de Aarde,

In des Heelals donkere schemerhaarde.

En voor zij boven kwamen op ‘t gebergte,

Op den nok van het dak van de aardherberg, te

Scheemren liggend in donkerblauwen nacht,

Onder den hemel, tuin van voorjaarspracht, –

Onder den bergtop, stekend in het donker, –

Stonden zij stil in ‘t machtig kloofgeflonker,

Zoo hoog als ‘t luchtgebergte, en toch zoo zacht

En machtig als de donkerblauwe Nacht,

Zooals twee schoone schimmen, niet verlicht

Pan, maar zij was als een licht goud gedicht.

En Pan hield zijn schoon, donker godsgezicht

Naar haar en zei: ‘Wezen, wie, wie zijt gij?

Zijt gij een mensch? maar nimmer zag ik vrij

Een mensch zooals gij kijken, zijt ge een God?

Maar nimmer zag ik eens Gods oogen tot

Zulke volle bloemen gevuld van liefde.’
[p. 15]

Het meisje stond doodstil, van goud, en hief de

Oogen naar heel van ver, vanwaar zij kwam.

En ‘t was of zij de kracht der sterren nam

Door hare oogen in haar rijpen mond,

En sterrenadem door haar lippen zond:

‘Weet gij hoe soms in ‘t bosch, op den boschvliet,

Den vijver, in het winterhout en ‘t riet

Kraakrig en dood, de Februari-schelle

Zon zich vertoont, en of een vluchtig schellen

Der zon gehoord wordt, klinkt? – De Lente vliegt

Den rand van ‘t bosch en verliest er haar licht. –

Maar stil, zij ziet den boschvliet, en staat stil,

Met eenen vreemden en te vroegen wil,

En treedt door gele strandhalmen hem nader.

Zacht huppelt aan de eene zij het water

Des vijvers vroolijk, bleek, en vlammend donker, –

Aan de andre zij spant zich nog ‘t nat gefonkel

Van de ijsplaat, – en Lente ziet den schijf,

En treedt er heen, buigt over, spiegelt ‘t lijf, –

De golfjes deinen in buigend gewiegel

Den vroegen, jongen, bleeken lentespiegel.

En zij vlucht weg, maar blijft op de aarde waren,

Waar zij nog niet te huis is heelegare.

Zoo kom ik op de aarde, ik ben zeer vroeg,

Vroeger dan andre, er is nog geen zon genoeg.

Ik ben een Wezen van ‘t Gouden Geslacht

Der Toekomstmenschen, iets vroeger gebracht,

Dan de massa’s die komen op de aarde.

Ik ben een gouden ster, gevallen waar de

Boom der Toekomst staat in de eeuwigheid.

Zoo werpt een boom van verre uit een gaarde

Door wind gedrage’ een appel, rollend glijdt

Hij in den tuin des buurmans. ‘k Ben gevallen

Van toekomst’s sterren in de donkre hallen
Der aarde, waar Gij mij vondt en in dans

Rondvoerde. Nu klim ik met u den schans

Der bergkloof op, zooals een gouden zaad

Dat tusschen de kluiten door te bloeien gaat.

Ik ben maar ‘n fijne sneeuwpluim, langs het bosch

Ziet men mij gaan, – straks komt de bui zelf los,

Ik ben een glanzend harde witte hagel

Tusschen de mosjes van groene boschtafel,

Straks komt de groote witte hagelbui,

Wanneer de groote Toekomstwolk zich spui.

Kom Pan, kom God van liefde en muziek

Mede naar bove’ en luister uw hart ziek

Van genot en verdriet om ‘t volk dat komt,

En dat mij slechts als eerste afgezant zond.

Kom, God der Muziek, ik kom om in zangen,

Evenals Gij vroeger, te doen ‘t verlangen

Weerklinken om des Levens eindelooze

Schoonheid, zooals die nu komt weergalooze.

O hoor mij Pan, kom dichter bij mij staan

En hoor mijn wondere gezangen aan.’ –

En Pan wandelde met haar als een landman,

Die ‘t gouden zaad, schooner dan hij, ter hand nam.

En hij vatte met zachte hand de tippen

Van hare hand, geen woord kwam van zijn lippen.

Hij keek haar aan slechts met bewondering,

Omdat zij zoo machtig stijgende ging.

En toen zij dan ontstegen de verborgen

Kloof, en geopend stonden in heelalnacht,

Zoo helder als waar’ zij van nacht de morgen,

En zonder één nevel- of wolkendracht,

Toen kwam de vrouw als een kind dichtbij staan,

En legde hare hand in die van Pan.
En zij stond vóór hem als het licht gebloemte

Der lente, voor zijn donker zwart gedoemte

Van Heelal, van Nacht.

Zij, de goudlichte en heerlijke Morgen

Der Menschheid, stond vóór hem, ‘t Heelal, – geborgen

In zich, en donker, – als ‘t donker Heelal

Zichzelve, trotsch, is, vol Alles, kristal, –

Zooals de Geest die daagt,

Goud en licht, kristalfonklend van Vrijheid.

Tusschen hen was een donkerpaarsche Lach

Als tusschen Dag en Nacht donkerpaarsch wordt de Dag.

En zij zeide: Als een bazuin van Blijheid:

‘Pan, eeuw’ge God van deze donkre aarde,

Ik ben de Muziek van de Nieuwe Aarde.

Ziet gij daar ginds die gouden sterreschellen?

Hoe schoon hangen zij op de diepe wellen

Des horizons! Hoe rein wit zijn zij! Achter

Hen, nog veel verder, staat een volk, en wacht er

Het opengaan der heem’len. Eind’lijk Vrijen

Komen op aarde, zonder, zonder lijden.

‘t Lijden heeft uit. Die zaligen staan daar,

Achter de goudene en blauwe baar

Der wereldzee, die dit tijdsuur maakt waar.

Eens zullen zijn in klare gouden liefde

Alle Menschen voor het Heelal dat weefde

Hen. Een groote Blijheid zal de Wereld vullen,

En één liefde alle menschen omhullen
Met diepen glans van wonderbare klaarheid,

Ontvlammende uit den Gemeenzame’ Arbeid.

Die liefde zal krachtig van allen stralen,

En, Muziek, klinke’ in alle, alle talen.

Zij komen nader, voelt ge ‘t niet, God van

Muziek en Liefde, oneindige Pan? –

Het heelal dat wij zien, de myriaden

Sterren, het is slechts een koperen schip

In ‘t donkerblauwe ledig, – of een klip

Met kop’ren bloempjes en goudene zaden.

Het schip zeilt door de eeuwge leegte. ‘t Water

Van het oneindig stroomt, en de rots baadt er

Zijn bloeme’ en zaden in. – Welnu, daar achter,

Achter dat gouden schip- of klip-compacte,

Achter de verste ster, in ‘t eeuwge, wacht er

Het blanke en klare volk der toekomstmenschen.

Daar is geen licht licht, maar ‘t donker is licht,

Daar is geen bodem en daar zijn geen grenzen,

Maar hoofd aan hoofd staan, gezicht aan gezicht,

Die zaligen in kristaldonker licht.

Neen, zij staan ook niet achter de verre sterren,

Zij staan in de aarde, in de menschen, verre.

De tijd is maar een schijn. De eeuwigheid

De waarheid. In hare oneindigheid

Is alles eeuwig en dus zonder tijd.

In elk ding staat Alles in de eeuwigheid,

In ieder ding is de oneindigheid.

Zoo is haar toekomst in de aard’ haar grenzen,

En in de menschen zijn de toekomstmenschen.

In zwarte slaven, in donkre onvrijen,

Die nu leven,

Zijn de goude’, als goudrozen lachende vrijen.
Die zullen zijn in klare gouden liefde

Voor het Heelal en allen die er in leven!

En van die toekomst fluistert een muziek

In het kristal wat nu is, en een wiek

Van haar schijnt, wit-zwart, op en neer te fladdren

In van het Nu de kristalklare aad’ren. –

On nu de nieuwe wereld komt, nu komt

Haar schoonheid eerder, en als voor haar uit,

En ‘t is of zij, nog verre, van zich droomt

Ideeënglans en ideeëngeluid.

Zooals een geliefde, die in muziek

Stilt haar hart als het is van liefde ziek.

Die Schoonheid en dat Verlangen ben ik. –

Luister eens goed en hoor met uwe voeten

En lijf en oore’ en hoofd en hart. Wat groeten

Ons hier uit de aarde voor warme gevoelen?

Wat voelen wij toch in den nacht voor zwoele

Verlangens uit de aard opstijgen, of

Ze ware een bed van bloemen, geurig, dof,

In den lentenacht, als de hyacinthen-

Geuren alleen zijn, dofzwanger, hun tinten

Stierven over in geur? Gij weet het wel,

God, ‘t is niet noodig dat ‘k ‘t u vertel.

Gij weet het, Pan, God van liefde en muziek,

De aarde is in vreemd’ barensnood ziek,

Zij heeft een kroost in zich geteeld dat meester

Is geworden van haar, en hunnen geest er

In zich zelve zij voelt, op ‘t punt haar gaarde

Te maken tot een tuin van vrijen, waar de

Menschheid te samen Heer is over haar.

Voelt gij het wel, God Pan, die alles voelt

Wat er in de aarde en in haar kindren woelt?
Het zijn de arbeiders, het zijn die slaven,

Die lijfeignen, die, nu d’ werktuigen gaven

Hun kracht, eindlijk zich zelve maken vrij.

Zij maken de aarde nieuw, zij, zij, zij, zij.

Eén groote liefde gaat de aarde omhullen

En alle arbeiders, allen, vervullen.

Hoort ge haar ruischen onder onzen voet,

Voelt ge haar warme en als blauwe bloed,

Hoort ge het gouden gonzen heel van ver

Van den bol waar wij op staan, deze ster

Donker, dit kind van zon, ach lang zoo ver

Van ‘t goud geluk gedwaald, maar die weerkeert

Als een kind bij zijn vader terugkeert?

Ik hoor twee klanken in den donkren nacht

Van onder komen om de aarde zacht,

De eene is als van machines goud,

De ander is of een menschmassa blauwt.

Dat zijn de donkre arbeidersmassa’s met

Hun goudmachines. –

O, de aarde is een groot gouden huwelijksbed!

En die goudmenschen daar achter de sterren,

Die nog veel schooner zijn dan die goudschellen,

Komen als kindren, als hun tijd is daar.

Zij zullen ‘t bed bevolken. Dit is waar. –

Ik kom van daar’ – zij wees het – ‘van ver achter,

Waar het zoo tintelt en wit bloeit, het lacht er

Als van sterresneeuwballen en -seringen.

Ik kom vooruit om hunne komst te zingen,

Den arbeiders te laten zien de zaligheid,

Die daar beneden door hen wordt bereid.

“Geen God en geen Meester, maar alleen Menschen,

Vrij door elkaar”, dat is het wat zij wenschen

En maken. Ik kom om ‘t hun te dansen,

Zooals ze wordt,
De beweging der Vrijheid en haar glanzen. –

Eens zullen zijn in klare gouden liefde

Alle menschen voor het Heelal dat leefde

Hen. Eén zachte Blijheid zal de Wereld vullen

En één liefde alle menschen omhullen,

En ééne liefde krachtig van allen stralen,

En klinken door des Heelals aardedalen.

O Pan, God van Muziek en van Liefde,

Was dit ook niet steeds Uw muziekliefde?’

Pan was verstomd. Ja, dit was het gevoel

Wat in hem drong al lang uit ‘t aardgewoel.

Hij dacht droomrig: ‘De oneindige Liefde

Der Menschen voor elkaar, ‘t Heelal dat leeft.’

Hij dacht rotsvast: ‘Geen God meer en geen Meester.

Maar de Menschheid zich zelf en Natuur meester.’

En stond doodstil zooals een doode heester.

En stil vloog hij door ‘t diepe ruimtgebergte,

Zijn vleugels spreidend tusschen de verre sterren,

In het ledige, in de klare koelte,

En zette zich daar op een blauw gestoelte

Dat eenzaam in de donkre wereld hing.

Zoo schitterden de sterren of verving

Telkens de een de ander, en de kring

Der aarde lag dof donker onderling.

En daar zat Pan met zijn macht’ge gestalte

Weder, en zag door ‘t teedere licht kristalte,

Zich heffend in ‘t oneindige heelal,

Naar der aarde ronde donkere zaal.

En toen hij zoo doodstil naar onder staarde,

Als een denker ‘s nachts op de aard’, ontwaarde
Hij weer, zooals een diepe rilling koel,

Dat vreemde, nieuwe, en als sterf-gevoel.

‘t Was wel de menschenmacht, die daar beneden

Opkwam, hij hoorde en voelde ze in zijn leden,

En zag ze zooals Pan àl, alles ziet.

Zijn ziel beefde, en weerklonk stil in lied. –

Hij stond op en wandelde langs den gletscher,

Daar langs de rotsen, wit alsof een etser

Ze daar geëtst had, in de zware lucht,

Stralend van ijs, oneindig, en geducht

Glanzend, zwijgend door de donkre bergen.

En waar ‘t blauw water, uit randen die tergen,

Van ijs gekarteld, liefelijk ontschiet,

Daar doopte hij zijn voeten, en dit lied

Deed hij weerklinken onder de stille sterren,

Terwijl de rotsblokken gromden van verre,

Terwijl hij opgericht in woestijn liep,

Langs donkre rotsen en het ijs zoo diep:

‘Het is winter

Ver over de aard’, –

Het ijs klaart, –

Sterrengesintel, –

‘t Is eenzaam maar er klinkt muziek. –

O eenzame muziek, wees mijn geleider,

Schoonheid wijk niet met uw wiek,

Maar leid mij verder, wijder.

O leid mij verder, wijder,

Naar gindsche hooge sterren.

Schoonheid en muziek, U beider

Kind ben ik, laat mij niet sterven.
Liefde, ster in den nacht,

Doorschitter met uw pracht

Mijn hart,

Dan wordt licht

Het moeilijk schaduwwereldzwart.’

Zoo zong de Godheid, diep bang voor de menschen,

En richtte hoog omhoog zijn hooge wenschen.

En hij liep terug door blauwpralend klare

Lucht, en zag Haar, en bleef lang naar haar staren.

Zij zat op een berg, voor den Oceaan

Der lucht, en diep beneden haar was de Oceaan.

Zij zat op een top, voor het grondloos donker,

Zooals een sterrebeeld staat in de lucht,

De stille Lier, of het witte gefonkel,

Der sneeuwen Zwaan, – het sterbeeld is een zucht

Van het diepblauw azuur en kopren sterren,

Die ‘t beeld begrenzen, blauwend uit het verre.

Zij zat zooals het beeld van den beeldhouwer

Michele Angelo, zit aan het dak,

Denkend en lachend, dat den stillen aanschouwer

Van diep verbazen het vol harte brak,

Niet wetende wat de Sibylle lacht

En starend denkt. Zoo zoet en open zacht,

Geheimvol lachend, keek het gouden Meisje.

Want zij hoorde heel ver een gouden wijsje

Klaar kristal komen door de nachtelucht.

Dat was de zucht van den kristallen ucht.

Die hoorde zij alleen, zooals Sibylle

Fijn hoort wat in den tijd nog niet, maar eeuwig is.

Zij hoorde ‘t toekomstwater verre rillen,

En lachte tegen de geheimenis,

Open en klaar als kristal; kristalnacht
Haar open rond gelaat gansch openlacht’. –

Ja, de Geest der Muziek zat hoog omhoog

Als uit koper gegoten kleine beeldje,

En zag de zee, de aarde en den hemel,

En alle elementen in ‘t Heelal.

Zij die de ordenaar is van ‘t Heelal.

Zij die de zee is van het Universum,

Naar waar zich alles stort, alles doorheen vloeit,

Om in schoonere wereld uit te rijzen.

En zij dacht: ‘Ik ben niets zonder den Chaos.

Hij maakte mij, ik ben zijn kind. Hij is

Mijn vader. En uit hem komt alles voort

In mij. Hij is mijn man.’ – En zoete liefde

Doorstroomde haar, haar koperen lichaam,

Dat eeuwig klinkt van kopergouden snaren.

En zij strekte de armen naar ‘t Al henen,

En in een duizeling van liefde was het

Of ze’ hem weer werd, haar machtige hersenen

Chaotisch woelde’, en ‘t lijf als opgelost.

Maar zacht ontwaakte ze uit verganklijk sluimer,

Nam weer bezit van zich zelf, voelde verschil

Met hem, en in liefde, die alles ordent,

En den Chaos en de Muziek, wachtte zij

Op den God der Wereld, den eeuwgen Pan.

En Pan stond stil en stijf en roerloos zacht,

Denkende aan haar. En in zijn aandacht

Sloop stil, onmerkbaar, bij hem in de liefde, –

Zooals een nevel van het veld verhief de

Lichte wolk, en dreef naar de atmosfeer

Der blauwe nacht, – kwam stil van uit zijn hart

De liefde en dreef op naar zijn hoofd zwart.

Pan zag en voelde het lichten zijner liefde

Voor de Vreemdlinge, – en hij, heengaande, hief de

Zolen en schreed stil door het duister heen,
Zooals, die donkre schoonheid zag, gaat heen.

En zijne open en klare gedachten

Zóó den hemel en de aarde inlachten:

‘Ik kan niet meer maken begin

Met iets.

Mijn zin is eindloos als het Niets.

De liefde is mijn zin, –

Heeft geen einde, geen begin.

Ik kan niet meer maken begin.’

En langzaam, zwak en teêr van liefde, liep,

Terwijl zijn hoofd raakte tot aan den hemel,

Wolken, zijn borst baadde in luchtgewemel,

Hij de berghelling af, waarop nog sliep,

Lager, al het gebloemte en het vee.

En begon eene wand’ling die hij dee

Over de bergen van het klaar Heelal.
En zoo daalde Pan langzaam naar de aarde,

Trapsgewijze, naar hare groote gaarde,

Uit het klare en kristallen kristal.

En eerst kwam hij, in het oneindig licht,

In het doorstreepte kristal waar de Goden

Zich nog schoon en schemerachtig ophouden,

Als visschen in het donkre water dicht.

Daar kwam hij aan een bosch, een groot hoog woud,

Uit hooge eiken massaal opgebouwd,

Jaren ver lang en vele jaren breed.

Dat bosch werd begrensd door den Oceaan,

En de vlakte oneindig ver vandaan.

En het moest doorkliefd worden in de lengte,

Want aan de ééne zij liep het in ‘n engte,

Naar onbestijgb’re bergen, in een keele.

En in die keel stonden paleize’ en tempels,

Der valsche goden glanzende bordeelen,

Met valsche verlokkingen op hun drempels.

En buite’ en binnen weerklonk hunne scheele

Muziek. – Aan de andre breede zijde bood

Een bodemlooze afgrond slechts den dood. –

Het was nog nacht, en geene schaduw gleed

Daar binnen, maar hij voelde zich den weg.

Donker, van alle kanten, heg en steg.
De kruinen waren tot één net verward,

Ondoordringbaar, en de stammen benard.

Zwoel donkerte omhoog, en wat geglim

Omlaag in van een beek bochtige schim. –

Waar oude boschpaden zich henenwonden,

Waar in de ochtend- en de avondstonde

Een schaarsch hert nog zijn weg naar ‘t water vonde.

En grauwe beken vonden langs graniet-

Blokken hun weg. Hier en daar groeide riet. –

Hij peinsde tusschen de stammen aan het leven

Der schorsen, die het lange leven geven,

En aan de donkre rottende bladen,

Waarin warm slapen de kleine boomzaden. –

En de nacht was een nacht van vele jaren.

Terugschrikken, voortwandelen, vervaren.

Pan daalde in kloven af en dook in stroomen

En droomde als een doode diepe droomen,

Achter rotsblokken, of ging als een blinde

Langs weeke paden, kon den weg niet vinden. –

Dus mijmerde Pan, en liet zijn gezicht

Streelen door ‘t zwarte en grofgoede licht.

Droog en somber was hem de aard’ geworden,

En weening kwam bij hem, toen hij gevoelde,

Dat het hart van de Goden nu verkoelde,

En hunne rijke mond en tong verdorde.

Zooals nu, in den adem van deez’ tijd,

Een mensch kan gaan, en denken, tot hij schreit,

Aan al de Pracht en Trots en Majesteit,

Die nu vergaan voor de eeuwige Vrijheid.

En wijl hij staarde in ‘t grondelooze duister,

Beangstigd, en niet wetend wat te doen,

Ontstond er voor zijn ooge’ een roode luister
Achter des woudes donker zwarte roên,

Achter het donkere hooge heelalwoud,

In het Heelal boven de aard opgebouwd.

En heel de hemel werd brandende rood,

Of iets hem met roode kleur overgoot,

Alsof daar iemand eenen rooden mantel

Ophief, een gloed met zoo sterk een getrantel

Van vuur, dat hij ‘t Heelal van één zij doorscheen,

Zooals het vuur tegen een donkren schoorsteen.

En Pan staarde op eens, en als verglaasd

Van oog, daarheen, terugtrekkend verbaasd.

En uit het rood brak open middaglicht,

Zooals het licht uit rooden dageraad,

En breidde zich tot eenen Oceaan

Van licht, en op Pan’s gezicht viel die Oceaan Licht,

Als op ‘t Heelal dat in het lichten staat.

En hij bleef teeder bij dien Oceaan staan. –

Want in het hooge licht, dat was als rook,

Zag hij van af de aard tot in den aether,

Kronos’ schoon kind verschijnen. Hoog ontlook,

Licht in het rood, glorievol, de Alweter.

Trotsch, ongenaakbaar steeg zijn statig hoofd

Door den hoogen luchtnevel dien het kloofd’.

Hij scheen niets te zien, had het oog in hemel

Daar boven, in des nevels rood gewemel.

Forsch schreed hij, door het Noodlot onbewogen,

Alléén, machtig, – de helle glans der oogen

Was even zoet en klaar als in zijn jeugd,

Toen de komst op de aarde hem verheugd’.

En in zijn hoogen gang, als toren forsch,

Zag hij even terzijde, en iets norsch

Werd zijn heerlijk gezicht toen hij Pan zag,
Die, zeer stil en kalm, als was hij de dag,

Tegen een boom aan stond, wiens stam hij dekte.

Zij waren twee oervijanden, Pan rekte

Zijn leden, maar Zeus wendde met verachten

Zijn hoofd weg en hernam zijn stil betrachten.

Zeus is de God der machtige heerschappij,

Der overheersching en der slavernij,

Der meesters, tyrannen en koningen,

Hij heeft op den Olympus woninge.

Pan is de God van alles, – hij heeft lief

Alles, en elk mensch is zijn hartedief.

Eenmaal, oudtijds, had Zeus gedreven voort

Pan diep terug en zijne macht verstoord.

En schrijdend ging nu Zeus den hemel in,

Zijn schoone, trotsche rug toonde zich, donker,

En ‘t machtig hoofd, en het ruig haar, omblonken,

Verlatend de aarde, voor hem zonder zin.

En Pan stond roerlooze en dacht: ‘Daar gaat hij.

En als vroeger, maar o hoe anders, laat mij.’

En bukkende dronk Pan uit eene beek,

Die daar voor zijne voeten in zee streek,

En legde zijne hand stil op een rots,

En streek teeder langs een boomstronk het mos.

En wachtte.

En er verging een leegte en droefheid zonk

Hem in het hart, en om hem niets weerklonk.

En daar schemerde nog weder een licht,

En daar kwam langzaam en half opgericht

Nog een God aan: de God der Christenen.

Pan kende hem nauwlijks hoe hij glisterde.

Hij had een dubbel wezen. Alles dubbel-

Zinnig, zooals het water ook wel stubbel’

Door den wind zóó, en vlak daarbij weer zóó.

Hij was hoog opgericht, tot in het licht
In hoogte, maar toch diep buigend, gezwicht.

De eene helft van zijn gezicht was bloo

Als van een knecht; de andere hardvochtig

Als van een meester. De eene wang was vochtig

Van tranen uit deemoed en medelij,

Maar de andre hard in trots en hoovaardij.

Hij had in de eene hand een geesel, maar

De andre voerde het liefdesgebaar.

Een helft van zijn rug was diep rood bevlekt

Met bloed, de andere met goud bedekt.

Blijkbaar was hij half van de gouden eedlen,

Half van de groez’ligen die werke’ of beedlen.

Achter hem kroop Christus, slepend het kruis,

En dan kwam ‘n leege schijn, klein als een muis.

Dat was der Christenen Heilige Geest.

En dan de Duivel, trotsch zooals een beest.

Pan staarde ze aan en voelde een victorie,

Omdat hij bleef en weg zonk hunne glorie.

En de zon werd uit zilver tot ‘n goud peinzen,

En de donkerheid vluchtte uit de bosschen.

En in een zee van oranje en rosse

Vlammen van nevelvuur, Apollo stond.

Om zijn gebeeldhouwden godd’lijken mond

Lag ‘n klare lach, en zijne hooge losse

Haren stonden en hingen en golfden stil.

En schoon hij wist dat de goden moesten deinzen,

Was er geen deinzen in zijn oogen, maar overwinningswil.

Het blauw des hemels was zoo geheel zuiver

Gestrekt als de stem van een zingende vrouw,

Het spiegelvlak in ‘t bosch zonder gehuiver
Of schrik, hoewel in herfst, maar warm, maar blank, maar lauw.

D’ oneindigheid was open, ver als eeuw

Boven aan ‘t zenith d’ aether. En de sneeuw-

Wolken, gezonken, zelf leke’ eindeloos.

Maar de bosschen als blaad’ren van een roos,

Waartusschen hij zou dwalen, – rood en blauw.

Ha! de heerlijkheid! Met langzame schreden

Ging de God des Lichts door de paden, zonaureoold.

Zooals de zon boven, ging hij beneden,

Diep in het bosch, smaragd donker, hij doold’.

Even volkomen waren zijne leden

Als de vlammen: de hemel en de boomen.

Dit is het onderscheid tusschen God en Mensch,

Dat de mensch heeft altijd gemis, en dus droomen

Naar anders, naar meer, ‘n God is vervulde wensch.

Zachte wellust ademde uit de God,

Gaande in der zoden hooge altaren,

Zijn oogen, hel, zwierve’ in ‘t hoog ommewaren

Van ‘t licht, dat als geur was, en geur als licht.

Alsof iets brandde was het hooge licht

Dat hing rondom de stamme’ in breede zwermen.

De lichte bladerkronen ijl beschermen,

Doorzichtig naar hooger licht, het rookend licht.

De Dichter gaat daar onder, zacht van varen.

In de wonderbare der kleuren muziek,

Waarachter zacht was des blauws harmoniek,

De God des Lichts was volkomen rhytmiek.

Het trotsche blanke van zijn vleesch, zijn beenen

Hoog bewogen, zijn borst waarover henen
Het licht gleed zonnig lachend, zijne armen

Zonnig in zijne schouders. En de warme

Blauwe oogen onder de effen berme

Van zijn voorhoofd, waren rhythme muziek-doorschenen.

O, in een zilveren wazend gemijmer

Ging door het gouden licht die groote Rijmer,

Zooals de wind over de blauwe zee.

Hij keek naar den wand van ‘t bosch. Er was Niemand.

En hij keek stil naar de Heemlen. Er was Niemand.

Er was alleen zijn eigen teeder Gezicht.

Er waren alleen de Aarde en Hij: die Twee.

Onschuldig en rein, als twee blanke duiven,

De brandende Natuur en Hij, de God, beide eenzaam in gouden huive. –

Op den donkeren vloer van den marmeren nacht,

Waar de zwarte vloed van den storm opschuimde

Tot witte kammen hoog in de blauwe lucht,

De Licht-God zat. – De orkaan verkruimde

Rondom hem het woud. Als verloren hoop

Vloog het ratelend loof langs de hellende sloop

Om hem heen omhoog. Maar zeer stil had

Hij het been en de knie en zijn gedacht. –

Zij romp en leden waren wit. Zijn geest verruimde.

En ‘t werd koel en blank. Hel azuur.

Het heelal werd als een diepblauwe zee.

O de nacht werd zooals een gouden vuur!

Maar de God des witten lichts noch oop’ner dee

Noch dichter zijn oogen. Met vast getuur

Keek hij niet ver van zich ter aard. De duur
Zijns levens, een oneindigheid van bloemen,

Was vóór hem. Oneindig, met niet te noemen

Liefd’ en passie, dacht hij ‘t na, dit uur.

Maar plotsling trilde hij, want ‘t voer in hem

Zooals de bliksem vaart in ‘n eenzaam schip,

Het schuddende, trillend van top tot takel,

Uit de rust beefd’ zijn trotsche groote lip,

Van onder uit hem op kwam ‘t grootsch orakel,

En zacht sprak in hem zijn Pythische stem.

Plotseling was ‘t of hij in zijnen tempel

Nog ééns, te Delphi zat, en op den drempel

De menschen hoorde, wachtend zijn profetenstem.

En hij riep uit in ‘t blauw, als een trompet

Van goud, in het Heelal weerschalde het:

‘Menschen, Gij, Gij, Menschen! Als gij maar één zijt,

Als gij u zelf maar maakt tot eene Eenheid,

Als gij maar de Natuur maakt uw bezit

Gezamenlijk, als maar niet langer dit

Heelal uw twist is, maar uw bron, het wit

Van Uw werk als Broeders, dan wordt het Licht

Der Aarde, het eenige, Uw Geesteslicht. –

De ééne Menschheid wordt de God van ‘t Licht.’ –

Zoo sprak de God des Lichts. En toen na een langen wijden

Blik, wierp hij zich òp, naar ‘t gouden Wijde,

En begon zacht te vliegen. Als een arend.

Met uitgestrekte armen, verre starend

Voor zich uit, – de zachte lucht langs hem glede. –

Hij werd fijn in het blauw. Zooals een zwaan. –

Hij werd een donkre even-beving aan
Den Horizon. – Hij werd zijn eigen lied

Dat van zijn zang nu nog weertrilt, – meer niet.

En de donkere oogen van Athene,

De godin van de wetenschap der machtigen,

Heerschend over de onwetende onmacht’gen,

Klaar, ernstig en van verdriet vol verdwenen.
Toen trad hij langzaam uit het statig woud

Op de duistere vlakte, het kristal

Zich strekkend door het oneindig Heelal,

Zooals een vlakte in de oneindigheid,

In des heelals lichtende zaligheid.

En stond stil, en stilstaande klaar beschouwd’

Het wondere en klare zacht luchtmeer.

En in hem drong dat wonderlijk en teer

Voelen, dat Pan en alle kind’ren Pan’s

Voelen, wanneer ze zien den grooten glans

Van een vlakte, die voortstrekt naar den hemel,

Of van de zee het oneindig gewemel.

Dan ontstaat er tot in de diepste ziel

Een gevoel of ‘t oneindig in ons viel,

Dan dringt door in ons’, Pan’s kinderen, lijf

Een gevoel of het niet zich zelve blijv’,

Klein en beperkt, maar of ‘t oneindig dringt

In ons klein lichaam dat daardoor wegzinkt.

‘s Avonds kan het zoo schijnen, als de lucht

Plotseling wordt van een hel blauw bevrucht.

Of als de wind die uit de wolken zucht

Deze wegvaagt! Of ‘s morgens als ‘t gerucht

Der vooglen nog niet aan is, kan ‘t zoo schijnen,

Alsof ‘t onmeetlijk Al binnen de reine

Ziel komt van een ontwaakte, die is Pan’s kind.

De liefde voor het Al, die is ‘t die vindt

Uit ‘t Al in de ziel, uit de ziel tot ‘t Al,

Zijn weg in dezen zaligen wereldhal.

Dat voelde Pan toen, en meer dan een onzer,

Toen hij uit ‘t bosch en in het stille donzen
Wezen der vlakte trad, die bleek, schimmig,

Afstak tegen het woud, zoo forsch grimmig.

En dansende vloog hij aan op de vlakte,

En dansende weerkaatste zijn voet, brak te

Gruizen den groven en gruizligen kluit,

En vloog hoog in de donkre luchten uit.

Zijn donkre haarbos schudde in de wolken,

Van het oneindig hooge hemelheelal,

Zijn voeten dansten in de diepe kolken

Van het eindlooze uitgestrekt kristal.

Toen keerde hij, en met een breeden zwaai

Danste hij langs den boschkant, het gezwaai

Van zijn groot lichaam beefde diep het woud.

Langs de boomen vloog hij waar het benauwd

Was van de schaduw van den donk’ren nacht.

Hij zelf was tot zulk eene vreugd gebracht,

Als wie lang beklemd was. Zijn sprongenrij

Ging boven de boomen op, tuim’lend en blij.

En eindlijk stoof hij onstuimig in het rond,

Zooals een paard dat in het circus rond

Draaft, toen maakte hij cirkels kleiner, toen

Heel klein, zooals spelende kindren doen,

En eindigde met éénen hoogen sprong,

Bijna loodrecht, – de aarde hem weder vong.

En over die vlakte ging hij, tot daar waar

Zij plotsling afbrak als in zee de baar

Van een getijgolf, èn daald’ in een grond.

Zooals een heerlijke en lichte baar,

Een golf in der oneind’gheid donkerklaar.

En Pan stond stil voor hij zich daarin zond. –

Want uit de donkerte beneden welde

Muziek die diep ontroerde en ontstelde. –

In den herfst ziet men wel dit schoon gezicht,

In ‘t gele boschlicht, het zonnesterflicht:

De ronde kruinen der gele kastanjes,

De berken met hun fijne brosse franjes,

De roode beuken met hun koepelkerken

Maken langs ‘t mos een onafzienbre laan.

Aan de andre zijde van de grijze perken

Ligt van de boschvliet donkerblauwe baan. –

Eenzaam is ‘t zonnig mos, geen hert verschijnt,

Maar ‘t is alsof er een verdween, verdwijnt,

Naast een stam van de rij steengrijze stammen,

Wier loof, als één vuurbank, geelrood opvlamme. –

De blauwe hemel ver beneden is

Als goud vlammende, maar zonder gesis,

Alsof een goudsmid daar beneden werkte,

In Italië, dáár, met zijn gekerkte, –

Aan een goud schild, waaraan hij den rand werkt,

Dat hij met gouden bladervlammen merkt.

De diep geliefde hemel onder is

Ver beneden groot vlammende aan zijn nis,

Alsof daar ware iets van hooge liefde,

Schooner dan ergens, of daar de geliefde

Zelf zijn moest, zij zelf, want zoo blauw en goud

Kon ‘t anders niet schijnen achter boven het woud.

Zooals dat bosch is in den lachenden

Herfst, met de wildste kleuren prachende, –

De jonge boschgod neemt een schitterend bad, –

Alles wat leefde in de lente en vloot

Door de bosschen, het wacht nu stil den dood

En is statig prachtig het leven zat.

De ronde kruinen der gele kastanjes,

De hooge abeelen met hun fijne franjes

Die in de lente juichen en ‘s zomer’s droomen,

De goudene volmaakte eikeboomen,
En heel ver weg de laan en langs ‘t leeg perk

De bruine beuken, waarvan elk een kerk

Gelijkt: De jonge boschgod neemt ‘r een schittrend bad

In den laten namiddag’s zonneschat, –

In dat blank zilvren en als najaarsschuim

Van ‘t licht op open plek tusschen ‘t boschpuin, –

Luchtig in ‘t licht, – en stort zich plotsling in

Den donkren vliet en zwemt er tot zijn kin.

Want hij wil genieten nog eenmaal van ‘t

Lichte goudheerlijk beeld van ‘t zomerland.

Klievende ziet hij ‘t donker watergetoover,

Den blauwen hemel drijvend achterover, –

Zijn blauw oog staart naar gouden blauwe tente, –

Hij is gelukkig, – het is herfst …. maar lente.

Maar dan komt de nacht met zijn donker zwerk

En bedekt het heerlijke kleurenwerk

Met duisternis. Niets is er van de kleuren

Meer over dan haar zware gouden geuren. –

Die nacht met de verborgen gouden kleuren,

Die herfstnacht met bedwelmend zwarte geuren,

Op die leek de muziek, die als een wonder,

Opsteeg tot Pan uit donkren afgrond onder. –

Hij stond daar onder de goudene sterren

Als een die luistert onder regen, verre.

Onder een koepel waar een gouden regen,

Stil, uit gouden sterren komt neergezegen.

En luisterend hoorde hij gouden stemmen,

En herkende ze. ‘t Waren de boschbremmen

Van gouden klank, zooals alleen de Faunen

Uit hun donkere keelen uitbazuinen, –

En ‘t was het helle blanke jonge zilver,

Zooals alleen, het lijkt het zoet geschilver
Der golven over elkaar in de ucht,

Of van de abeele’ en berken in de lucht, –

De Nimfen maken om de eeuwig jonge gaarde

Der oude zee-weerklinkende grijze aarde.

De wezens die door ‘t Heelals wondre gunst

Kennen de Muziek, Rhythme, kennen de Kunst.

En evenals in ‘t herfstbosch is gejuich

Van alles wat nog van leven getuig’,

Onder de doodsklanken der volle nacht,

Zoo was het dat uit ‘t dal der halve goden

Een diepe lach des levens diep oplacht’,

Onder den klank als van een klank om dooden.

En Pan fluisterde:

‘Niet kunnen de halfgoden het leven houden,

Nu van hen trokken hun vaders, de goden.

Nu gaan de halfgoden alle ter dood. –

Hun dood is ‘t fijnst vergif, waaraan zij bloot

Staan, die de ziel eens echten gods ontvingen:

De gedachten der nieuwe meesters dringen

Overal door, als onzichtbaar venijn,

In de aarden, door de ooren, in den schijn

Der oogen, en dooden de allerbesten,

Dan mindre, eind’lijk allen. Zal nu resten

Van ‘t goddelijk geslacht eindelijk alleen ik?’

Hij stond op den rand, wachtte. Goddelijk

Stond zijn groote gestalt boven den afgrond,

Waarin hij zich toen als een havik afzond.

Hij landde als een vogel doet, veerend

Op zijne voeten, en ging zacht een end

Door diepen grond, – hij ging zooals een dichter gaat,

Het brooze lijf bespeeld door ‘t Al, die slaat

Nergens acht op, maar het heelal weeft door

Zijn veez’len hoorbaar maar onzichtbaar koor. –

Zoo ging Pan. En daar waren aan het sterven,
Als schoone vazen die vallen in scherven,

Zooals visschen die de vischvrouwen kerven,

Liggende op de banken in de hal, –

De donkre bloedstroom, d’ingewanden verven

De banken, den grond en den steenen wal,

Alles is donker om der visschen dood, –

Zoo stierven daar de Faunen schoon en groot,

Vluchtten de Nimfen in der aarde schoot.

Maar onzichtbaar. Want der halfgoden schaamte

Belet hen, der wereld de donkre blaam te

Toonen van den diep misvormenden dood.

Zij vluchtten daarom afzijds in het snood

Donker der stammen, duistere afgronden

Waarin ze hun spitse lichamen zonden.

Maar juichende. Want alle Faune’ en Nimfen

Hebben een stem als water. O de lymphe,

Waaruit ze zijn, is waarlijk niets dan stem.

En in de klauwen des doods, in zijn klem,

Als ijsvogels, roodborsten, vinke’ en gaaien

Gevangen, deden ze de lucht nog laaien

Van hun gezang, kleurrijk, purper en gouden.

Onder den sterrennacht in blauwe wouden

Schemerde de lucht van de klanke’ er van.

De onzichtbre zangers hoorde donkre Pan:

‘De zware gangen van de Nimf die sterft,

Gaan door het blauw gevallen najaarsblad.

Nog eenmaal waggelt zij door ‘t breede erf

Der bosschen, dat haar teedre dansen had.
En zij ziet voor ‘t zwaar oog het lichte dansen –

Hoe heerlijk, hoe licht, – zwaarlokkig, vochtglanzend, –

Van vroeger, en zij buigt donker naar ‘t water af,

En zoekt er, dansen droomende, haar graf.’

En toen nog dit door één geliefden zoon,

Dien hij daar had, den allerliefsten Faun,

Donkerlokkig, vlugvoetig, looper gezwind,

Betooveraar der Nimfen, roodbruin kind:

‘Tusschen de gele bladen

Trilt de gouden fluit

Met weemoed.

De zon luikt. Door de baden

Van nevel ruischt windgeluid,

Zooals de zee doet.

En de zanger voelt zijn daden

Van zilver geëindigd. Tot besluit

Speelt hij het bosch een beegroet.

En dansende springt hij waden

Naar den dood, in het licht uit,

Die hem geen wee doet.’

En eindlijk dit, en ‘t was alsof zij allen

Voor ‘t laatst samen nog eens ‘t woud deden schallen:

‘De lente vliegt om ‘t woud, maar eeuwige

Is de Natuur, is Pan.

De zomerstroome blauwt, maar eeuwige

Is de Natuur, is Pan.
De winteraarde rouwt, maar eeuwige

Is de Natuur, is Pan.

Wij voelen den mensch, den nieuwen meester

Komen en onze geesten

Verdwijnen, zooals daar, hoog, verre,

De lichten der goden, koud geworden sterren,

Wegsmelten van geflonker,

Witsneeuwige,

Tot donker.

Maar eeuwige

Is de Natuur,

Is Pan.’

Zij stierven weg als sterren in ‘t heelal,

Als schaduwen hun lichaam, hun geschal. –

En Pan bleef eenzaam in ‘t donker alleen.

Er was van goden en hun kindren niet meer een. –

En hij voelde en was zoo gansch eenzaam,

Dat hij aan zich murmelde eigen naam:

‘Pan, eenzame God van Muziek!

Word niet van eenzaamheid ziek,

Maar leid mij verder, wijder,

Naar gindsche trotsche sterren.

Naar de menschen, daar ginds, verre!

Gij zijt nu de eigen herder.’ –
De Goden heen. Het Heelal was alleen

Als in dien oertijd, toen geen heerschappij bestond.

Allen Pan doolde, als toen, door ‘t eenzame Heelal rond.

Pan is de God der beweging, die is één

Met Liefde en Muziek, en hij is eeuwig.

Zoo was hij dus alleen als is het sneeuwig

Veld in de bergen. – En de aard, bebloemd,

Lag open voor het groote volk dat komt.

En Pan hoorde toen de oneindige Menschen

In ‘t oneindig Heelal, en zonder grenzen,

Hoog in het donkerblauw eeuwig Heelal,

In zijn oneindig lichtende kristal.

En hij daald’ neder naar de donkre menschen

Uit het Heelal, uit de oneindige grenzen

Van het Licht, der Muziek, en uit de Vrijheid

Der Natuur, het oneindige Heelal,

Het eeuwig bloeiende Natuurkristal,

En hare eeuwig lachende Blijheid.

Henen naar de donkre machtige menschen

Op de aarde, wijd, verre, zonder grenzen.

En hij daald’ nader bij der donkere menschen

Eigen wereld, hunner Maatschappij grenzen.

Nader der Maatschappij sombere ringen,

Nader haar donkere oneindige kringen.

Maar daald’ nog niet hunner Aarde sfeer binnen.
En hij hoorde hun kolossale smarten, –

De Smarten der Heerschers door Tirannie,

De Smarten der Slaven door Slavernij,

De Smarten van Allen door Slavernij,

Der Meesters, Arbeiders en Vrouwen smarten,

Diep in hun donkre en smartvolle harten.

En hij zag en hoord’ hun donkeren strijd,

Naar het licht op, naar volkomen Vrijheid.

Eindelijk was de dag gekomen van

De Vrijheid. De donkere oude eeuwen,

Die nu nog uit den diepen afgrond schreeuwen

Der eeuwigheid, waarin ze zonken, aan

Het onrecht denkende, dat hun het bloed

Ontroofde en hen grijs maakte en het zoet

Jeugdleven bedierf, – en dat schittrend oog

Dat nu is van den tijd, onze eeuw, zoo hoog

En open brandend als een lichte toorts

Ten hemel, onze eeuw, die wel een koorts

Heeft van pijn, maar die zoo gelukkig is

Als een moeder na haar ontvangenis, –

Zij allen juichten, want de groote drommen

Der bevrijders der menschheid waren gekomen.

De eerste lichtdag was dáár van den strijd.

Zooals de wolken in de lente komen,

Gelijkend door den wind gestrooide bloemen,

Windbloemen, bladerbloemen, uit de zee

Geraapt, van ‘t schuim, zoo van de golven mee-

Genomen, en gestrooid, oneindig rijk,

Over der aarde diep verlangend rijk,

Die als een bruid steekt beide armen open

Naar den wind, die komt met wolken geloopen

Uit zee over haar heen. Zoo d’arbeiders, –
Die eindelijk, uit donkren nacht, jeugdversch,

Naar de overwinning gingen. – Zooals de

Wolken des zomers over de effene

Guldene lucht heendrijven in de Alpen,

Wit en blauw; met een nauw bemerkbaar zwalpen

Van hunne massa’s, vast en stevig zeker,

Stevenen ze van ‘t Noorden naar het Zuid.

Omhoog zweeft elke volle dampenbeker,

Vol wit verlangen, trotsch gaande wolkbruid.

Roerloos ligt de sneeuw in de donkre bekers

Der Alpen en heel ver weg wijkt het ijs

Over de rotse’, het gletscherparadijs.

In donkere schauw verliezen zich de zwarte

Kammen in wolken, die hen strijke’ als smarten

Doen vreugde. En zacht kussen zoete ronde

Wolkengezichten kammen, als de wonden

Van ‘t hart vreugde geneest, die komt plotsling.

En dit daar overal, zoover de ring

Van het gezicht maar reikt. Een trotsche rijkheid

Vult de hooge Alpen met gouden gelijkheid.

De gouden zon lacht tusschen de wolken

Op de smeltende vlakten en ijskolken, –

Zooals die zijn, ware’ eindelijk gekomen

Over de aarde de arbeidersdrommen. –

En Pan steeg neder in het aardedonker. –

Zooals om de aarde henen is het donker

Der zonsverduistering, de schaduwkegel

Der maan, neerhangend als een grauwe pegel, –

De heele aarde is rondom in één nacht. –

Zoo hangt rondom de aarde, als de nacht,

Van d’arbeiders het leven der gedachten. –

Daarin trad hij met zijn voeten zeer zachte.
En hij hoorde alles wat daar gaande was,

Pan hoort beweging zelfs in donker glas.

En hij hoorde de massale, geduchte,

Om de gansche aarde dampende geruchten,

Want d’arbeiders zijn samen in de luchten

Muziek, hun zielen en hunne lichamen. –

Hun diepste muziek, zonder enkle namen,

Zoo donker en algemeen, vernam Pan,

Die ‘t algemeene, als ‘t fijnste, hooren kan.

En hij zag hen zelf slechts als donkre schimmen,

Zooals de wolken die ver aan de kimmen

Des avonds gaan, wanneer het zonlicht zinkt.

Zij zijn vergaande zwart, het zonlicht blinkt

Eeuwig. Zoo hoorde hij hunne muziek

Hèl, en zag het ov’ral glijdend gewiek

Hunner lichamen flauw om de aard, zooals

In muziek zich omzet voor God Pan all’s.

Zooals diep in ‘t heelal de sterren zijn

Aan alle kanten om de aard, vèr, rein,

Zoo hoorde hij om de aarde één muziek,

Dansende, fonkelende, wonderlijk,

Als zilverglad, schittrend, gouddradig fijn

Diamantdauw rondom een donkre denne.

En hij had geen moeite ze te herkennen:

Het was de gouden muziek der werktuigen,

Die om de aarde, als paarden in tuigen,

In stallen stonden, en werkten, en hun bellen

Door den nacht henen goudklank deden schellen,

En zilverklank, en diamant. Daar klonk

Rondom de aarde hunne abundantie,

Alsof een gouden jonkvrouw zong en zong,

In preciese en dansende elegantie.
En Pan juichte in zich om den diepen rijkdom,

Waarin der aarde donkerblauwe rijk zwom.

En hij hoorde dit andere gezang,

Dat als een gloed om de aarde heendrong,

Als blauwe gloed om een brandenden kool,

Als krokus in haar donkerblauwen stool:

‘Nu is ‘t de tijd om, zooals ééne natie,

Alle arbeiders, in organisatie,

Op te staan, en voor goed het kapitaal

Te vernietigen uit der wereld zaal.’

En Pan voelde in zich een diep verrukken

Van blijdschap, want hij voelde hun geluk en

Blijdschap, dat nu kwam eindelijk de strijd

Voor de eeuwige menschenzaligheid.

Zooals de ochtend tot de aarde komt,

Zooals van ‘t vrijheidsoproer de trom tromt,

Zooals van de vloot komt het eerste schip,

Zoo beefde dit stil liedje van zijn lip:

‘Ver in den nacht

Hoor ik een dans,

Het is der Arbeiders dans.

Ver in den nacht

Hoor ik muziek.

Het is der Schoonheid Muziek.’

En een andre muziek, een juichende,

Als van een bruigom, diep getuigende

Van zijne liefde, hoorde hij in de donkerte.

‘Geen Goden meer maar menschen’, fonkelde

Rondom de aarde op als gouden vlam,

Als in den nacht St. Elmus’ vuur, dat klam

Om den top van de mast slaat: ‘Op de aarde

De menschen goden in haar gouden gaarde,

En niets dan menschen en heelal. In vuur

Vuren van ‘t ééne onuitbluschbaar Vuur.’

En Pan stond stil zooals een donkre heester,

Die staat in des zomer’s den zonne-oven,

En als een bliksem sloeg hem dat: ‘Geen meester

En geen God’, en hij stond bliksemgetroffen.

Want dat wat d’arbeiders daar gouden dachten,

Was zijn eigen en diepste kerngedachte:

Menschen en Heelal één, en in dat rijk

Niemand meer Heer of God, allen gelijk.

En Pan voelde eene onmeetlijke liefde,

Als een garf die zich uit zijn hart verhief, de

Wereld doorgloeien, en zei zacht ‘Geliefden’ ….

En:

‘Dans, o zachte edele geest!

Sluit de arbeiders in

Een cirkel van muziek!’

En nog een muziek hoorde hij, als een bloem,

Die, witblinkende, witsappig doorglom

Den nacht. Hij hoorde ééne blanke stem

Worden de donkere massale stem,

Alsof de aard werd een camelia,

Massaal wit, sneeuwwit, zonder wederga:

‘Wanneer morgen de strijd zal zijn gewonnen,

En aan de menschen samen, als één bronne

De aard behoort, dan zal voor het heelal

Zijn eeuwge liefde in ons altemaal.

Want dan zal er eindlijk, voor ‘t eerste, zijn
Zulk een verhouding als van kindekijn

Tot Moeder, – van de Menschen tot Natuur.

Want dat er tusschen mensch en mensch een scheur

Loopt, dat maakt dat nimmer ‘t Heelal

Is waarlijk onze lieve eigen Hal.

Oorlog en Heerschappij maken een breuk

Tusschen de aard’ en den mensch, die ontluik’

Er op. Hij kan nimmer de aarde voelen

Als eigendom, als eenheid met hem, koele

Vervreemding en haat moet in hem wel zijn

Tegen de geefster van zooveel venijn,

Zoolang er scheiding is tusschen de menschen,

Zoolang er tusschen hen bestaan nog grenzen.

Maar wàt kan de bloesem van den boom vervreemden,

Als èn aan bloesem èn aan boom de beemde

Der oneindige wereld, die zelf bloeit,

Alles geeft dat hij en zij volop groeit?

Dan wordt de wereld ééne bloesemboom

Om elk mensch heen, die leeft in bloesemzoom,

Zooals het gele in de witte lelie,

Of een kaarsvlam in eigen gouden peluw.

De Mensch tot de Wereld! In diepe liefde

Zal hij haar zien, als geliefde geliefde.’

En Pan murmelde zacht weer: ‘o Geliefden!

Eindelijk, eindlijk voor het Al de liefde.’

En in die liedren duizelde God Pan,

Die dat nieuwe nog niet verdragen kon.

En hij duizelde weg uit ‘t duister heen,

En ging door het donker wanklend terug,

Naar waar hij wist, dat, goud zooals barnsteen,

Het gouden Wezen zat, als een sterbeeld

Dat in azuur en goud is uitgebeeld.

Pan trad door ‘t hemelhoog wereldheelal

Heen in der aarde donker lage vall’.

Zooals een jongman wien het eensklaps lichter

Wordt, en hij voelt in zijn hart: hij is dichter.

Zooals een man, die, reeds ver in zijn leven,

De liefde vindt voor ‘t Al en de verheven

Liefde voor de Menschheid met ‘t Heelal één.

Hij gaat gelukzalig door ‘t Heelal heen,

Hij heeft in zich de onsterflijke liefde.

Als een Man wien het plotseling wordt klaar,

Dat hij liefheeft, en dat hij liefheeft wonderbaar.

Zoo trad Pan door het oneindig Heelal,

Uit het heerlijke klaardoorlicht Heelal,

Het sterrendoorzaaid hemelsch schoon Kristal,

Dat als een tuin is, eene wondre gaarde,

Boven, om, de in haar bloeiende aarde,

Dat vol is van de heerlijkste rijke

Sterren, kristallen en gouden, stralenrijke,

Maar daartusschen vervuld is van kristal,

Het eindeloos doorzichtig klaar Heelal, –

Op de aarde, haar heelalomgeven zaal.
En door het duister ging hij zoo naar huis. –

Want bij haar, de Muziek, daar was zijn thuis.

Als een man, komend van een groot zwaar feest,

Waar ook zijn gouden liefste is geweest.

Hij ziet haar in zijn hoofd, de lichte goud’

Gestalte, die zoo fijn en licht zich bouwt,

En die het gansche Heelal voor hem vult

Met haar teedere en lichte onschuld, –

Haar teeder licht, – tot diepe wereldvolt’.

Hij is heldonker in zijn hoofd, zijn geest

Is als een bloembed donkre krokussen.

Waar hare woorden en ontloken kussen

Over vliegen als zonlicht. Diep bekoord

Gaat hij van ‘t opgaand zonlicht en haar woord.

En hij weet dat hij haar van middag zien

Zal. Nieuw goud blinkt. God Pan geleek op dien.

En terwijl ver in ‘t grauwe sterren bleekten,

Als een lichte jonkvrouw naar huis geleek te

Gaan Pan, die ‘s nachts weerkeert van ‘t lichte bal,

Waar zij de liefde voor ‘t eerst zag. Broos zal

Zij huiswaarts gaan, haar lichaam is voor ‘t eerst

Gebroken door dat zoete allerteerst

Eerste. Zij weet niet meer wat ginder is,

Elk ding is blijdschap en toch hindernis.

Zij gaat zoo bleek als waar’ zij een skelet,

Zij weet niet waar zij hare voeten zet,

De wereld is een donkre lichte poel,

En zij een licht, – zoo was van Pan ‘t gevoel. –

Grauw werd de nacht rondom zijn hooge hoofde,

Dat de eerste adem van den morge’ omloofde,

De sterren trokken weg als smarten doen,

Als de geliefde geeft den eersten zoen.

Hij trad op de aard’, van af den hemel wadend,

En zich de voeten in de aarde badend.

En zachtjes aan begonnen te ontrollen

De groene weilanden hun donkre, volle,

Groene kleuren en lichtbruine tinten.

En er verschenen daardoor witte linten

Van water, en het eerste licht verrees.

Zooals ‘s morgens in het bleekgrauwe bed

De donkre minnaar oprijst en zich zet

Naast de geliefde die naast hem neerligt;

Hij ziet in haar donkere bleek gezicht,

Hoe vol zij is van liefde’s vollen groei,

Hoe heerlijk, vol, rustig, gezond, – iets moei, –

Zoo toonde zich het eerst licht aan de kimmen,

Opstijgend in de lichte breede flimmen

Door ‘t grauw.

En zacht begon een kleurtje uit te schijnen

Van rood, en iets van geel omhoog te kwijnen.

Zooals wanneer ik, o geliefde, u,

Voor wie ik dit lied schrijf diep in schaduw,

Nader, – ik dan een onmeetlijk gevoel

Rondom mijn hart en in mijn wezen voel, –

Onmeetlijk groot, – het maakt het heelal klaar, –

Onmeetlijk klein, het schuilt in iedre aâr, –
Zoo Pan. Hij was bevrijd van donkren nacht

En naderde het hart van dag die daagd’.

Maar zooals wanneer ik mij naar u stort,

Geliefde, wanneer gij roept: Kom, – dan wordt

Gij alles, ik niets, ik ben slechts de pijl,

Gij ‘t doel, gij haven en ik maar het zeil; –

O gij zijt alles, alles wat ik denk,

En gij alleen, gij, gij, geliefde, ben ‘k, –

Zoo kwam hem ‘t licht, het heerlijk dageslicht.

Daar spreidde zich het gele bleeke licht,

Daar ontlook boven het blauw rozig licht,

Daar werd de hemel boven gouden groen,

Daar spreidde zich het gele saffraan licht,

Daar kwam op het millioenen rozig licht,

Daar overheerschte het algouden licht,

Daar was iets vuur, iets goud: de gouden zon.

En daar blonk, schitterende voor de zee,

Op de bloeiende en goudene aarde,

In hare bloemkleurige gouden gaarde,

Het gouden meisje als er zijn geen twee.

Stralend, en vullend tot waar hemel blauwt,

Van af de zee, het Heelal met haar goud.
Zij was de schoone schitterende Geest,

Die oprijst in ‘t Heelals oneindige leest.

Goud en als muziek, als de muziek kon

Een vorm aannemen, en de goudste zon

Van muziek verscheen, en tot vormen stolde,

Was zij, die daar in ‘t morgenlicht hoog stoelde.

Meer dan de zon, meer dan het land en zee

Was hare stille gouden blijde vree.

Zij zong niet, danste niet, maar hare schijn

Was muziek. Eens zal op de aarde zijn

Zij overal. Nu zat zij daar alleen

Nog maar, en Pan alleen zag naar haar heen.

En hij begon rondom haar heen te dansen,

Door de dalen heen, de bergen heen, het glanzen

Van het zonlicht was hij over d’Oceaan,

Wanneer het ‘t lichten door dalen te gaan

Lust van de golven, tusschen sneeuw en schuim.

Spelende loopt het daar in ‘t luchtig ruim,

En snelt telkens tusschen het zilver op

Van ‘n dal, en verdwijnt ver achter een kop.

Zijn glanzen schijnt van af het zeegewemel

Als gouden vlam tot in den blauwen hemel.

Zoo Pan. Nu eens was hij achter een heuvel,

Hij maakte groote heerlijke danspassen,

En verscheen dan weer op kammen en passen,

En fluisterde tot ‘t meisje zoet gekeuvel

Van liedjes die hij dacht, die hij bedacht

Voor haar. Zoo fluisterde hij lokkend zacht:
‘Ik ben vol van klein lied,

Zooals een kleine bron,

Die, wat in ‘t bosch geschiedt,

Opvangt in de zon.’

‘Van nacht waren er sterren

En nachtliefdegloed,

Nu tintelt verre

Horizon zoo zoet.’

‘Blauwe lucht daalt, –

Geen gerucht straalt

De effen zon, –

Goud maalt de horizon.’

‘Horizon

Is uw naam, –

Gij hebt geen blaam,

Evenals de zon.’

‘In de zon

Die het zeemeer spiegelt,

In de bron

Die het maanlicht wiegelt,

Als het daagt

En in den nacht,

Zie ik u,

U, u.’
‘Zie hoe zij daar

Het teedre lichaam houdt,

Zie hoe zij haar

Schoonheid stil beschouwt.’

‘Gistren liep ik zóó:

Zalig mijn gemoed.

Er was één nevel,

Maar geen twijfel,

Oneindig licht

Doordrong de wereld en dit wicht, –

‘t Is die vrouw

En de liefde tot de menschheid die dit doet.’

‘Bij het openwaaien

‘s Avonds van den avondwind

Komt het zachte suizend laaien

Van de liefde voor u, mijn kind.’

‘’k Werp telkens een gemma voor u heen,

Van stralende woordjes een klompje, een beetje, –

Het is telkens een edelsteen

Voor uw kleedje.’

‘Ik stond aan uw schoot,

Met mijn hoofd dichtbij uw boezem,

En uwe knie omsloot

Uw zachtheid, volle bloesem.’
‘Gij weet niet wat mij is

De adem van uw mond,

Het is of in de duisternis

De morgen zijn weg vond.’

‘Bij het denken aan de liefde

Heb ik liefde lief,

En ‘t is de liefde tot u, geliefde,

Die mij tot die liefde hief.’

Maar ‘t gouden Meisje schudde met haar hoofd

Van Neen. Alsof ze hem nog niet geheel geloofd’.

Maar zij verhief zich. Als een gouden vlam.

En wandelde door ‘t zand van af den kam

Naar Pan, waar hij toen stond op ‘t gouden strand,

Vlak voor de zee, den witten waterrand.

Met ‘t zwarte hoofd tot in de blauwe wolken

En met zijn voeten in de witte schuimewolken,

En met zijn donker lichaam hoog op in de lucht.

En zij stond voor hem als de gouden Lente,

Stroomen van bloemen die langs ‘t lichaam zendt en

Met hare oogen is als gouden Lente-ucht.

En zij keek hem diep, diep, diep in de oogen,

En gaf hem hare stille gouden hand,

En schudde zachtkens met het hoofd van neen,

En danste toen, – hare voeten bewogen, –

Langs ‘t strand, vóór hem, ter zijde met hem, heen.

De donkre Pan en ‘t gouden Wezen kwamen

Te dansen,

En zongen eerst afzonderlijk, ieder, en toen te samen:
‘Donkerblauw schittren uit de afgrond de kleuren van het Verleden

Als donkerblauw krokusdal,

En zijne tinnen schal

Klinkt in het liefdeslicht door van het bliksemend heden.

En de donkere Pan die die donkre Muziek en Alliefde heb,

Dans heerlijk de donkere eb

Van het gouden Verleden,

En heb in mijn armen de Geest der Muziek der Toekomst haar leden.

Diep doordringende kijken haar gouden dagdageraadsoogen,

Terwijl ik haar rondvoerend dans,

Mij aan, uit de gulden diepten van die dageraadsbronnenbogen

Stroomt in mij vullende wellende glans.

En ik kan, zwaar gaande, nauwlijks en niets dan dansen,

Haar brandende gouden gezicht,

De liefde op haar in fijn weerlichtend gouden glanzen

Zijn niets dan blijde danselicht.’

‘Goudene schittren van omhoog, daar ver, eindlooze geestesdreven,

Als onafzienbare narcissenvelden,

Der menschen toekomstgeesten, die wachtende bleven,

Terwijl ik naar den donkren Pan toesnelde.

Goudene stort ik mij zooals een pijl

Aan uw hart, Pan, uw donker heerlijk hart,
Gij hebt uw bloesem en uw bloed mij veil,

En mijn goud is vervulling van uw zwart.

Gij hebt altijd begeerd onz’ gouden eenheid.

Niets was er in uw machtige algemeenheid

Zoo sterk als deze drang en donker vuur,

O dans met mij, God van de donkere Natuur.

Ik geef mij u, maar nog slechts om te dansen.

O Pan, zoek nog verder, ga in de glanzen

Der menschen nog verder, o groote God

Van onbewuste Muziek, Liefde en Lot,

Zoek nog verder, ga van mij weer alleen

En zoek bewustheid, dan worden wij gansch en waarlijk en diep een.

Onbewuste Muziek, dans met mij,

Gij hebt het ongerepte klare vrij

Voelen. O zoek het klare gouden weten.

Dan zullen wij eenmaal te samen heeten

Oneind’ge Voelens- en Wetensrhythmiek,

Oneindige Geest- en Natuurmuziek.’

Zoo zongen der Nieuwe Menschheid gouden vrije Geest,

En het Heelal, donkre kristallen leest. –

En Pan ging weg, de donkere wereld der menschen in, –

En zij staarde hem na, gouden en vroolijk van zin.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.